• Amies

De speelboerderij

Op zijn groene, rubber laarzen beent hij weg; de beul. Achterna gezeten door een groep joelende kinderen stuitert de kip over het erf en wanneer ze te dicht bij een kindervoetje komt krijgt ze in blije paniek een schop, waarmee ze een andere richting opgestuurd wordt. Ik schuifel naar het houtblok waar haar kop bewegingloos naast het moordwapen ligt. Het oog dat ik kan zien is gesloten, maar vochtig alsof een laatste traan gelaten wordt. Althans, zo voel ik dat. ‘Naar rechts’ fluister ik, ‘naar rechts’ Hoe kan ik een reactie verwachten? Teleurgesteld draai ik mij om en wil naar huis. Dan zie ik haar lijf, dat net nog als een reddeloos projectiel in de rondte fladderde, stil op de grond liggen. ‘Naar rechts, twintig meter rechtdoor en dan naar links het hek door’, probeer ik dan nog een keer. De kinderen zijn stil en kijken vol spanning naar de kip, wachtend op een volgende uitbarsting. Na enige seconden springt ze op en sprint zo hard als ze kan het erf af. De kinderen kijken haar na tot ze uit het zicht verdwenen is. Even zijn ze stil, rennen dan naar de boer en roepen: ‘Nog een keer! Nog een keer!’ De boer lacht en stemt in.