• Amies

Glad ijs

‘Pap, jij mag kiezen. Pim Pam Pet of ganzenbord?’ Onder aan de trap houdt hij twee dozen omhoog. ‘Alsjeblieft zeg, het is negen uur.’ Ik wrijf de slaap uit mijn ogen en slenter de woonkamer binnen. Daar zie ik dat in de keuken nog meer gezelligheid in de maak is. Mijn vriendin staat bij het fornuis met een pannetje melk op het vuur. Een groot pak cacao staat op het aanrecht. Ik heb liever opgewarmde chocolademelk. Dat weet ze. Alleen met voldoende suiker krijg ik deze troep weg, maar dan moet ik wel de priemende ogen van mijn wederhelft doorstaan. Verder is ze lief. ‘Maar pap, mama doet ook mee en het is heel koud buiten. Kijk maar.’ Hij schuift het gordijn een eindje opzij en ik kijk naar buiten. Althans dat verwacht ik. Ik wrijf nog een keer goed over mijn gezicht maar zie dat mijn ogen me niet bedriegen. Het raam is bedekt met een dikke laag ijsbloemen. ‘Goeie dag!’ ‘Goedemorgen,’ zingt ze bijna vanuit de keuken. ‘Het heeft flink gevroren dus we moeten er maar een gezellige dag van maken.’ Ik loop naar haar toe, geef een kus en fluister: ‘Ik hou toch niet van spelletjes?’ Ze reageert met een gemene glimlach. Ik draai de radio wat zachter. ‘Papa doet ook mee. Hij houdt het meest van ganzenbord!’ roept ze. ‘Wil jij zo even wat hout halen voor de haard? Het is bijna op.’ ‘Hoe kon ik weten dat het zó koud zou worden? Gister was het nog acht plus!’ verdedig ik mijzelf. ‘Huh?’ ‘Ik heb het nog niet klein gehakt,’ verzucht ik. ‘Nou, dat is lekker. Waarom stel je dan ook altijd alles uit?’ Ik stel helemaal niet altijd alles uit en dat weet ze best, maar ik begrijp dat het geen zin heeft daar nu een punt van te maken. ‘De winter is nog niet eens officieel begonnen,’ breng ik zwakjes in. ‘Nee, maar het is er niet minder koud om. Als je niet altijd met je goudvissen bezig zou zijn dan had je nu niet hoeven klieven in de kou. We hebben de haard echt nodig want het gaskacheltje trekt het niet.’ Ze heeft gelijk, dat dingetje stelt niks voor. ‘Mam, je mag geen goudvissen zeggen. Het zijn koi. Hele dure.’ Mijn vriendin draait zich om en knipoogt naar mijn zoon die aan de eettafel zit met de twee speldozen voor zich. ‘Dat weet ik lieverd, ik plaag hem alleen maar omdat hij beloofd had hout te hakken.’ ‘Haha, papa is net de krekel van Jan de Fontijn. Meester had dat voorgelezen. Die werkte niet en toen in de winter moest hij naar de mier…’ De krekel maakte kunst en de mier wist dat niet te waarderen, maar dat vertelde de meester er vast niet bij. Daarnaast zijn mijn koi – hoewel wonderschoon – toch vooral hobby en geen kunst, dus weer niet het moment om er een punt van te maken. Ik lach flauwtjes en loop naar de gang om mij dik aan te kleden. ‘Ik vind het wel zielig voor de koi… oh nee goudvissen, oh nee koi… oh nee goudvissen,’ roept hij me triomfantelijk na en klapt het ganzenbord uit. Terwijl ik mijn laarzen aantrek hoor ik hem nog vanuit de kamer: ‘oh nee goudvissen…’ Gelukkig is de vijver diep genoeg dus kunnen ze wel een nachtje vorst hebben.


Ingepakt en wel loop ik de kamer weer in. Het lijkt heel wat maar ik voel dat het overgrote deel van de voering zich concentreert in de onderste helft van mijn jas. Een samenspel van vijf jaar zwaartekracht en de centrifuge. ‘Lieve familie, vrienden, mensen van de pers, het moment is daar, weldra stijg ik op,’ spreek ik theatraal. ‘Neem je een stukje maansteen voor me mee schat?’ ‘Je lijkt net een beer!’ Met mijn armen omhoog grom ik even vervaarlijk naar mijn zoon, maar daar is hij dan weer te oud voor. Hij schudt met zijn hoofd en zoekt alvast zijn kleur. Groen. ‘Als ik over een half jaar niet terug ben komen jullie me zoeken hè?’ ‘En goedgemutst ging hij op pad,’ lacht ze en zet de muziek weer wat harder. Ik tik even tegen het bolletje boven op mijn hoofd en vertrek. De buitendeur in de bijkeuken lijkt vastgevroren maar gaat uiteindelijk met een beurse schouder en flinke kraak toch open. Ik schrik als ik om me heen kijk. De wereld heeft vannacht een metamorfose ondergaan. Het heeft gesneeuwd maar nu is de lucht kraakhelder en het is stervenskoud. De wind heeft hier altijd meer vrij spel dan toen we nog in de stad woonden. Voor de zekerheid kijk ik even of ik wel een broek aan heb. Dat blijkt het geval maar het voelt anders. Mijn spijkerbroek biedt te weinig bescherming en ik besluit dat het onverstandig is langer buiten te blijven dan strikt noodzakelijk. De bomen aan de rand bij de sloot fonkelen kleurrijk in het felle zonlicht. Het lijkt of ze van kristal zijn en als ik goed kijk blijkt dat ook het geval te zijn. Ze zijn bedekt met een dikke ijslaag zoals ik dat alleen ken van de appelbloesem die in het vroege voorjaar beschermd wordt tegen de nachtvorst. Het is een prachtig gezicht. Vrolijk blaas ik een paar wolkjes condens de lucht in en spring een paar keer om het warm te krijgen. Veel helpt het niet. Langzaam kruipt de kou mijn jas binnen. Koning Winter regeert met harde hand. Ook in mijn tuin. Dan valt mijn oog op de vijver. ‘Diep genoeg,’ mompel ik tegen mezelf. Ik loop er naar toe en hurk neer bij de rand. Ik veeg wat sneeuw weg en zie dat de ijslaag die tevoorschijn komt een stuk dikker is dan ik had verwacht. Licht nerveus verwijder ik nog wat sneeuw en word dan aangestaard met een glazige blik. Snel veeg ik de rest schoon en stuk voor stuk komen mijn koi als diepgevroren vissticks tevoorschijn. Na een kort rekensommetje in mijn hoofd om een schatting van de opgelopen schade te bepalen, vervloek ik de vorst. ‘Het is mijn tuin! Sodemieter op!’ Ik schreeuw naar het ijs, naar de sneeuw, naar de kou. Het werkt niet. Ondanks dat mijn gemoed een kookpunt bereikt heeft, wordt het er niet warmer op en ik besluit mijn woede te richten op de boomstammen die achter tegen het muurtje liggen. Hopelijk warm ik daar van op. Zo niet, dan houd ik toch mijn verblijf in deze vriezer zo kort mogelijk. Zelfs de vetbolletjes zijn in ijs geconserveerd. Ik verwacht echter dat het weinig uitmaakt want elk vogeltje dat nu niet goed in de boter zit, is al doodgevroren of zit in het zuiden lijkt me. Ik speur de omgeving af of ik een misschien een vogeltje zie, maar er is niks te zien. Mijn theorie staat als een huis. Wel wordt mijn aandacht getrokken door iets anders. Midden in het weiland naast de tuin knippert een klein lichtje. Het lijkt een heel klein vuurtje. Wanneer ik beter kijk meen ik zelfs een rookpluimpje te zien. Arme kabouters. Ik moet weer naar binnen, maar omdat ook ik weet dat kabouters niet bestaan, is mijn nieuwsgierigheid gewekt. Tegen beter weten in verlaat ik de tuin en begin het weiland in te lopen. Al snel blijkt lopen een te groot woord. Het heeft meer van waggelen omdat mijn knieën weigeren nog soepel mee te werken. Gak gak, u verdrinkt in het moeras, ga terug naar start, grap ik in mijn hoofd terwijl ik mijn ogen op het lichtje houd. Al zou ik dwalen door het veen, het zou onmogelijk zijn daar nu in weg te zakken. Zo’n tweehonderd meter verder wordt aanvankelijk zacht gebrabbel langzaam verstaanbaar. ‘Een automerk met een K.’ ‘Kever!’ Ik zie rond het vuurtje een donkere plek in de sneeuw verschijnen. Op een afstandje blijf ik staan en zie dat de sneeuw gesmolten is door de warmte van een klein kampvuurtje. In een kringetje rond het vuur zitten een drietal torretjes, een bromvlieg en een krekel. Ze lachen en praten en de krekel maakt muziek. Mooie muziek. Een donkere plek vol gezelligheid denk ik bij mezelf. Een tijdje staar ik naar de diertjes en omhoogvliegende vonkjes.


‘Och meneer. Hé meneer. Hallo meneer. Meneer?!’ Ik schrik op en merk dat ik heb staan dromen. Hoelang? Mijn lichaam begint te tintelen. ‘Ja?’ vraag ik terwijl ik nog niet besef wie mij aanspreekt. ‘Meneer, hier bij het vuur. Zou u zo vriendelijk willen zijn wat takjes te halen bij die bomenrij? Ons hout is bijna op,’ schreeuwt een torretje mij toe. ‘Maar natuurlijk,’ antwoord ik. Ik wil aanstalten maken om weg te lopen, maar mijn benen weigeren nu elke medewerking. ‘Het lukt niet,’ stamel ik. ‘Laat mij maar!’ roept de bromvlieg en stijgt op. ‘Neem ook een dennennaald mee bij het huis van de mier, dat knettert!’ roept de krekel hem na. Een meter of twee verder stort hij als een hagelsteen ter aarde en slaat een kratertje in de sneeuw. De kevertjes kijken even. ‘Tijd voor nog een of twee liedjes,’ merkt eentje op. ‘Of een spelletje,’ zegt een ander. Op dat moment begint de krekel weer te spelen en de kevertjes zingen mee. Ze hebben het weer prima naar hun zin, zo lijkt het, maar op mij komt het niet meer zo gezellig over. ‘Vinden jullie het dan niet erg wat er net gebeurd is? Zijn jullie niet bedroefd?’ Mijn stembanden staan mij slechts toe hees te fluisteren en ik kom met moeite boven het geklapper van mijn tanden uit. De krekel staakt zijn spel en twee kevertjes stoppen met zingen. De derde maakt een refreintje af opent zijn ogen en is dan ook stil. ‘Wij zullen niet zeggen dat het leuk is maar zulke dingen gebeuren,’ schreeuwt een kevertje, ‘maar wij worden toch niet zo oud en dan is het zonde om te treuren! ‘Wij hebben liever pret!’ roept een ander. ‘Hé, hoorden jullie dat? Ik rijmde!’ joelt het eerste kevertje weer. Ze hebben duidelijk lol en dat is maar beter ook. Zodra hun houtjes op zijn is het snel gedaan. Ik weet niet of ik huiver bij de gedachte of bibber van de kou. Thuis zal het hout snel opraken. Waarom sta ik hier? Ik kijk om me heen. Ik wil hier weg maar lopen lukt me niet meer en hier is niemand om me te helpen. Wel valt mij nu op dat het vuurtje van de kevertjes niet het enige in het weiland is. Op verschillende plekken stijgen rookpluimpjes omhoog. Ik kijk of ik ook meer kleine kratertjes zie, maar vanwaar ik sta lijkt dat mee te vallen. Het tintelen is over gegaan in gloeien en ik voel dat de behaaglijke warmte het begin van het einde inluidt. ‘Wat doe je het liefst in het weekend? Met een G!’ hoor ik nog net. Ik word licht in mijn hoofd en voel hoe ik langzaam opstijg, alsof ik zelf een pluimpje ben. Daar beneden lig ik in de sneeuw, het witte moeras, omringd door gesmolten kringen vol gezelligheid. Een weiland vol plezier. Het duizelt me. Uit mijn huis dat steeds kleiner wordt kringelt rook. Ganzenbord. Ik verlang zo naar spelletjes en warme chocolademelk. Mag ook zonder suiker.