• Amies

Ik wil niet naar een warm land.


‘Blaas dan! Is dit alles wat je kunt? Blaas dan, stom…’ Whoeiiiiiii. Met een harde plons beland ik tientallen meters verder in zee. Klets, nat, pak, aan! Te vroeg. Dit had ik niet verwacht. Nog niet. ‘Die krijg je terug!’ roep ik proestend terwijl ik mij door de golven terug worstel naar de pier. Die krijg je terug? denk ik bij mezelf. Hoe dan? Hij krijgt hem helemaal niet terug. Ik klauter de gladde stenen op en ga weer staan waar ik stond. ‘Vandaag doen we het op mijn manier! Ik bepaal wanneer het tijd is!’ De wind waait nu ijzig koud door mijn natte kleren. Ik haal mijn neus op en voel hoe het zoute water prikt achter mijn ogen. Ik doe een stap naar voren en glijd uit. Nu ik zo op mijn rug lig merk ik pas hoe moe ik ben en besluit even te blijven liggen. Boven mij zie ik dreigende wolken hard voorbij razen. Sommige donkergrijs, andere angstaanjagend geel.


*


Trots als een pauw liep ik van de kermis naar huis. Mama aan mijn ene hand, een lint met ballon aan de ander. Mijn eerste ballon met helium gevuld, in de vorm van een konijn. Ook toen had ik een loopneus en op het moment dat ik mijn mouw langs mijn neus wilde halen, zag de wind zijn kans. Met een harde ruk pakte hij mijn ballon af en in snel tempo veranderde mijn konijn van een mooie ballon tot een klein stipje hoog en ver boven de weilanden. Ik stond en keek en mama keek mee. Pas toen mijn ballon uit het zicht was trok ze mij mee naar huis. ‘Dag…’ zei ik terwijl ik een leegte in mij voelde. Toen ik ‘s avonds in bed lag, vroeg ik waar mijn konijn naartoe was. Mijn moeder vertelde dat hij in een ander land was, lekker warm en heel ver weg, bij een ander kindje dat er goed voor zou zorgen en er heel blij mee was omdat ze in dat land geen ballonnen hadden. Ik besloot mijn ballon een brief te schrijven. Weer veel later zou ik ontdekken dat de kans maar heel klein zou zijn dat mijn ballon echt bij zo’n kindje terecht zou komen, maar op dat moment stelde me dat gerust.


*


Met een glimlach denk ik aan mijn kinderleed. Grappig hoe belangrijk een ballon op die leeftijd kan zijn. Ik lig nog altijd op mijn rug en staar naar de steeds donkerder wordende hemel waartegen een dappere meeuw fel afsteekt. ‘Kom op, je kan het wel! Laat je niet tegenhouden door zo’n miezerige storm, vogel!’ De meeuw kijkt mij aan en ik steek een bemoedigende vuist in de lucht. Hij vermant zich en maakt een drietal krachtige slagen. Geen resultaat. Vermoeid houdt hij zijn vleugels stil en met een noodgang waait hij naar waar hij vandaan kwam. Met een zucht ga ik overeind zitten.


*


Het was ons eerste afspraakje. We zouden gewoon even wat gaan drinken en ik zou haar ophalen bij haar thuis. Dan weer staand op mijn pedalen, dan weer zo plat mogelijk hangend achter mijn stuur, maar de grootste stukken lopend, vocht ik voor elke meter van de winterdijk. Grote koude druppels voelden als steentjes tegen mijn gezicht en ik had de grootste moeite om op de weg te blijven. Jaloers keek ik naar die enkele fietser die de andere kant op mocht. Ruim anderhalf uur later dan afgesproken stond ik tot op het bot doorweekt voor het erfpad. ‘Nee jongen, je kans is verkeken voor vandaag,’ sprak haar vader die de geldpot van het overdag onbemande bietenkraampje, welke bovenaan de dijk stond, leegde. ‘Het is bijna etenstijd.’ Vanachter het raam keek ze me aan tot ze van haar moeder een tafelkleed in handen gedrukt kreeg. Ze draaide zich om en verdween uit het zicht. De terugweg ging vanzelf en ik vervloekte de wind.


*


‘Hatsjoe!’ Het is nu echt stervenskoud en de golven die stukslaan tegen de stenen bezorgen mij een constante zoute douche. Schuin onder mij aan de rand van de pier zitten zeepokken. Onwrikbaar, vastbesloten daar nooit meer weg te gaan. ‘Zo’n storm kan jullie niks schelen hè?’ Ik denk niet dat ze überhaupt in de gaten hebben dat het stormt, maar zeepokken zeggen niets terug, dus vragen heeft eigenlijk geen zin. Ik vraag mij af of ze hier vorig jaar ook al gezeten hebben. Stille getuigen, net als de gladde stenen, net als het hek. Ik kijk rechts van mij en zie dat deze niet ver meer is. Het is niet toegestaan voorbij het hek te gaan. Nooit. De pier loopt vanaf daar een stuk schuin naar beneden en is dus een stuk lager. Het water heeft bij harde wind vrij spel. Met deze wind is de hele pier trouwens verboden terrein. Ook waar ik nu zit. Op handen en voeten kruip ik richting het hek want als ik opsta word ik weer het water in geblazen en dat mag niet. Nog niet.


*


Iets meer dan een jaar geleden zaten we hier op dit hek ondanks de waarschuwingen. Het was een machtig gevoel in de wind, met het opspattende water in ons gezicht. We hielden ons stevig vast en lachten naar elkaar met tot spleetjes geknepen ogen. Ze schreeuwde van alles, maar ik kon er niks van verstaan. De wind leek steeds verder aan te trekken en een stuk verder op de pier sloegen de golven er al met veel geweld overheen. Ik gebaarde dat we beter terug konden gaan. Met duim en wijsvinger maakte zij echter duidelijk dat ze nog een heel klein stukje verder wilde. Ik schudde mijn hoofd en pakte haar arm, maar zij sprong van het hek en liep door. Ik schreeuwde dat ze terug moest komen maar de harde wind overstemde alles. Met haar armen wijd, nauwkeurig haar voeten plaatsend op de gladde stenen liep ze door. Na een meter of dertig keek ze lachend om, om te zien of ik volgde. Nee dus. Op het moment dat ze me gebaarde dat ik door moest lopen sloeg een grote golf over de stenen. Waar zij mij een paar seconden eerder nog lachend aankeek in haar gele regenjas, lag nu een kale zwarte pier die eenzaam de zee in liep. Ook in het water was niks te zien, alsof ze nooit bestaan had.


*


Ik houd me goed vast terwijl ik op het hek klim. Met aan elke kant een been kijk ik naar de plek waar zij ooit stond. Zover ga ik niet komen want de golven zijn hoger vandaag. Was het vorig jaar één golf die zo over de pier sloeg, nu zijn het er vele. In mijn gedachte is het echter steeds dezelfde. Diezelfde ene golf die haar meenam. Ik pak het waarschuwingsbord vast dat aan de zijkant van het hek staat en trek me langzaam omhoog. Voorovergebogen sta ik tegen de wind in en heb de grootste moeite om te blijven staan. Kwaad en nerveus tegelijk sta ik te trillen op mijn benen en voel de adrenaline door mijn lichaam stromen. Op dit moment heb ik meer dan een jaar gewacht. Nog even en ook ik ben verdwenen, alsof ik nooit bestaan heb. ‘Voor één keer zul je doen wat ik wil!’ schreeuw ik. Ik haal diep adem en spring met armen en benen wijd in de lucht. De wind heeft direct vat op mij. Ik buitel achterover, sluit mijn ogen en wacht tot ik weer in het koude water land. Dit keer zal ik niet terugzwemmen. De koude wind giert door mijn kleren en ik hoor het klapperen van mijn jas, maar na een paar seconden lig ik nog steeds niet in zee. Ik open mijn ogen en schrik ervan hoe hoog ik vlieg. ‘Laat me gaan verdomme! Kun je dan helemaal niks goed doen? Kun je niet voor één keer aan mijn kant staan?!’ Ik buitel en tuimel, kom steeds hoger en bedenk dat ik in snel tempo verander tot een klein stipje hoog en ver boven de zee.


*