• Amies

Mierenplaag

‘Hé jij daa,’ hoor ik zacht tussen het krekelgetjirp door. Ik kijk op van mijn toastje en speur het kleedje af. ‘Ja, hiewo! Beneden! Pak me op! Dit is een bevel!’ Op mijn knie zie ik een rode mier zitten met een nog roder hoofd. Ze brult hard, maar het klinkt zacht. ‘En waarom zou ik jou optillen? Wie denk je dat je bent dat je mij kunt commanderen?’ Geamuseerd kijk ik naar het opgewonden diertje. ‘Ik ben Adjudant Ondewofficiew en mijn taak is het vededigen van onze vesting. Hatsjoe!’ Zenuwachtig loopt ze op en neer en kijkt driftig om zich heen. ‘Ik ben van het padje af. De weg kwijt.’ ‘Ik ben blij dat je dat zelf ook in de gaten hebt,’ zeg ik met een glimlach. ’Van het miewenpad bedoel ik! Pak me op! Ik heb het uitzicht nodig!’ ‘En als ik dat niet doe? Wat kun jij me nou maken?’ plaag ik. ‘Ik kwijg jou heus wel klein als ik wil!’ Dreigend spuit ze uit haar achterlijf een paar druppels zuur de lucht in. ‘Rustig maar’, lach ik, ‘het was maar een grapje.’ Voorzichtig laat ik haar op mijn hand klimmen en sta op. ‘Op de plaats – wust!’ roept ze snel. ‘Niet zo hoog, dat vind ik eng.’ Ik laat mijn hand een stukje zakken. Ze marcheert naar het puntje van mijn wijsvinger en tuurt in de verte. Even later draait ze een kwartslag en tuurt naar een ander deel van de verte, in een poging de vesting te vinden. Ik zie al lang waar het mierennest is, maar besluit nog even niks te zeggen. ‘Je moet iets verder kijken dan je neus lang is, hoor.’ ‘Ja, ja. Voowaats – maws!’ Met bewondering kijk ik naar het pittige dametje. ‘Voowaats – maws zeg ik toch?’ Ze zucht. ‘Doe dan!’ Ze haalt haar voelsprieten op en langzaam zet ik me in beweging. Ik ben benieuwd wanneer ze haar huis zal spotten. ‘Nomaal kan ik heus zelf de weg wel vinden hoo, maa mijn spwieten zitten vewstopt en nu ben ik het geuspoor kwijtgewaakt.’ Ik knik en realiseer me nu pas dat mieren helemaal geen neus hebben. ‘Je voldoet wel aan het stereotype van een rode bosmier, moet ik bekennen,’ zeg ik na een tijdje om de stilte te doorbreken. ‘Een echte soldaat; klein maar dapper.’ Ja, gooi me maa op de gote hoop.’ ‘Oh sorry,’ herstel ik mijzelf, ‘zo bedoelde ik het niet. Je bent natuurlijk uniek op jouw manier.’ ‘Nee, gooi me maa op die gwote hoop. Daa woon ik.’ Met een van haar voorste pootjes wijst ze voor zich uit. Ik loop op het nest af en naarmate ik dichterbij komt, hoor ik steeds duidelijker het geluid van gesnif en genies. ‘Het heest,’ zucht ze. Ik ga op mijn hurken zitten en laat haar van mijn hand kruipen. ‘Je kunt maar beter thuisblijven,’ zeg ik. Ik sta op en besluit zelf ook naar huis te gaan. Mijn hoofd zit vol en het lijkt of er een griepje opsteekt. Net als ik me omgedraaid heb hoor ik achter me: ‘Ingewukt – maws!’ Even houd ik stil. ‘Oké, nu mag je gaan. Bedankt,’ hoor ik er zachtjes achter aan. Thuisgekomen kruip ik lekker met een kruik onder de wol. Heeft ze me toch nog klein gekregen.