• Amies

Ze is niet gek

‘Geen sprake van ellendige snotneus!’ Net op tijd weet ik te bukken. Zwiep! Helaas kom ik ook net te vroeg weer omhoog. Klats! De houten pollepel ketst van mijn hoofd tegen de keukengeiser boven de wasbak en klettert met veel lawaai neer tussen de verzameling lege appelmoespotjes op de koelkast. Even zie ik sterretjes en heb moeite mijzelf staande te houden. ‘Maar Oma’, stamel ik ‘ik wil hem alleen maar aan de straat gaan zetten. Ze komen vandaag langs.’ ‘Niks daarvan!’, zegt Oma fel. ‘Heb je enig idee wat daar allemaal in zit? Dief!’ Ik zou een poging kunnen doen te raden wat Oma de afgelopen week in de afvalzak heeft gegooid, maar ik heb niet het idee dat haar vraag echt op een antwoord wacht. ‘Zet op de grond en als de wiedeweerga mijn keuken uit of ik bel de politie!’ Op momenten als dit kan ik maar beter doen wat mij wordt opgedragen, om erger te voorkomen. Ik zet de zak neer en loop het woonkamertje binnen. Vanaf de bank kijk ik uit over de straat en over het kerkhof aan de overkant, waar naast vele anderen ook mijn Opa begraven ligt. Toen hij ziek was vertelde hij mij, dat een mens pas dood is zodra men hem vergeten is. Zolang ik hem zou herinneren, zou het zijn alsof hij leefde. Destijds was dat voor mij een grote troost. Nu vijftien jaar later, herinner ik mij hem nog heel goed, maar kan ik niet met volle overtuiging zeggen dat hij nog leeft. Oma komt de kamer binnen sloffen en kijkt mij verbaasd aan. ‘Oh bezoek, wat leuk. Ik zal eens kijken of ik nog kaakjes heb liggen.’ Ze schuifelt onverstoorbaar de keuken weer in. Voor Oma is eigenlijk iedereen gestorven in de laatste vier jaar. Iedereen behalve Opa. Ze weet best dat hij niet meer bij haar in huis woont, ze is niet gek. Nee, hij is verhuisd naar haar bovenkamer, en die bovenkamer werkt naar eigen zeggen nog prima. Ze praat niet tegen hem, niet tegen zijn geest, niet tegen zijn foto, niet tegen een herinnering. Tenminste, niet hardop, niet als er iemand bij is. Nee, ze is niet gek. Vurig hoop ik dat de kaakjes op zijn, maar helaas komt Oma weer naar binnen met het zo bekende en gevreesde rode trommeltje. Op de bodem ligt een eenzaam kaakje temidden van kruimels en hier en daar een suikerkorreltje uit betere tijden. ‘Lekker, dank u wel Oma.’ Zodra Oma zich omdraait stop ik het kaakje in mijn zak. ‘Zo, jongeman, vertel eens waar u voor komt.’ Voor Oma is eigenlijk iedereen gestorven. Ik zwijg en kijk om me heen. Wat is dat toch met oude mensen en fletse kleuren?, vraag ik mezelf af. Alleen het rode trommeltje steekt af tegen het bruin, het weke geel, het bruingelig, het geelwittig, het bruinoranjeachtig, het grijs. Het rood staat natuurlijk voor gevaar, de rest staat voor oud. De bult op mijn hoofd gloeit en door de muffe lucht voelt de rest van mijn hoofd niet veel beter. Ik besluit te vertrekken en sta op. ‘Oma ik moet er hoognodig weer vandoor. Morgenochtend kom ik weer langs.’ Ik geef Oma al een paar jaar geen kus meer bij het weggaan, want ze vindt het niet prettig door vreemden gekust te worden. ‘Nou jongeman, ik hoop dat ik u van dienst kon zijn. U komt er zelf wel uit?’, zegt Oma terwijl ik de keuken inloop en de zak van de grond pluk. ‘Oh meneer?’, roept Oma. ‘Zou u misschien die zak die in de keuken staat willen meenemen? Hij staat daar maar te staan, en ik doe er toch niks mee. Wie weet heeft u er iets aan?’ Ik kijk naar haar, terwijl zij naar buiten staart en mij al lijkt te zijn vergeten.


Ik veeg met mijn hand de dorre blaadjes van de grijze steen, al weet ik eigenlijk niet waarom. Behalve ik komt hier nooit iemand. Altijd wanneer ik hier sta probeer ik zo hard mogelijk herinneringen op te halen aan mijn avonturen met Opa. Iets in mij denkt dat dit hoort, maar altijd wanneer ik hier sta, laat mijn geheugen me in de steek. In herdenken schiet ik flink te kort. Van achter de steen komt een spitsmuisje te voorschijn en een glinstering op zijn neus, waarvan ik denk dat het een dauwdruppeltje is geeft hem een feestelijk uiterlijk. Zodra het muisje mij ziet, schrikt het en haast zich weer achter de steen. Ik loop er naar toe om te kijken of ik het nog kan zien, en zie hem nog net in zijn holletje verdwijnen. Ik staar naar het gaatje in de grond en tot mijn verbazing hoor ik uit de diepte een geluid opstijgen. Ik hurk neer en concentreer mij. Vaag meen ik een trompetgeluid te horen, en geroezemoes van stemmen. De grond onder mijn voeten trilt zachtjes op zware bastonen. Ongelovig probeer ik zo diep mogelijk in het gaatje te kijken en op dat moment ploft er een wolkje confetti uit het holletje in mijn gezicht. ‘Meneer?’, hoor ik van achter mij. Ik kijk om en zie een oude man staan. Hij wordt ondersteund door een jonge vrouw, waarvan ik aanneem dat dit zijn dochter is. ‘Ik weet niet waar u mee bezig bent, maar ruimt u die rommel alstublieft snel weer op?’, vraagt de vrouw vriendelijk doch dwingend. Ik kijk achter mij en zie dat op het zwart marmer van het graf, een vrolijke, maar sterk aanwezige bende confetti ligt. Snel en met enige schaamte veeg ik alles bij elkaar en stop het in mijn zak. Confetti en een verpulverd kaakje, dat draag ik niet dagelijks bij me. Ik sta op en wil mijn excuses aanbieden, maar zie dat de man en vrouw zijn verdwenen. Ik kijk naar het holletje, maar ook daar lijkt de rust weergekeerd. Aarzelend besluit ik naar huis te gaan. In het voorbij gaan kijk ik nog even bij mijn Oma naar binnen. Soms als ik zwaai, zwaait ze terug, dan voel ik mij goed. Oma zit echter niet meer achter het raam. Ik zie haar dansen door de kamer en ze lacht. Ze danst met Opa en ziet er gelukkig uit. Nee, Oma is niet gek.

Thuis gekomen klop ik mijn zak uit boven de prullenbak en neem een aspirientje. Ik besluit even te gaan liggen en val direct in slaap. Ik droom over verse kaakjes, over Opa en over Oma die mij Andries noemt.