• Amies

Net als oom Flip

Na een kort gevecht beseft hij dat hij boven water weinig voor elkaar krijgt en laat zich hangen. ‘Meneer?’ vraagt hij, terwijl hij de vloer onder zich door ziet schuiven. ‘Ik ben geen meneer, ik ben een jongetje.’ ‘Jongetje?’ ‘Ja, wat is er nou?’ ‘Waar gaan we naartoe? Het is zo droog, ik word er duizelig van.’ Hij kucht en er loopt een slijmdraadje uit zijn bek. Ze dalen de trap af. ‘Ik ga je doorspoelen.’ Een aantal treden is het stil. ‘Maar, ik ben niet dood!’ roept hij, en wiebelt even heen en weer om zijn woorden kracht bij te zetten. ‘Nee, maar we doen alsof, want als jij dood bent mag ik pas een hamster.’ ‘Maar doorspoelen is niet alsof. Dan ga ik echt dood, net als oom Flip!’ ‘Die andere vis was al dood hè. Als je levend bent, dan ga je gewoon met een hele lange glijbaan onder de grond door naar het water waar heel veel andere vissen zijn.’ ‘Dode vissen…’ ‘Ook wel levende hoor. Dat weet ik bijna zeker.’ Boven de toiletpot knijpt het visje zijn ogen dicht en fluistert: ‘hamsters kunnen bijten.’ Het jongetje hoort hem niet.