• Amies

Uit de dop

‘Maar ik weet echt niet wat ik ben’, zei hij met tranen in zijn ogen. ‘Rustig maar, we komen er vast wel uit.’ Mijn hart brak toen ik hem daar zag zitten op de rand van de tafel, beentjes bengelend in de lucht en teentjes naar elkaar. ‘Als je maar niet weer zegt dat ik een pinda ben.’ ‘Ja maar…’ ‘Nee!’ Kwaad schopte hij in de lucht.


Ik had die avond een pindasnoer willen maken voor de vogels in de tuin, toen een van de schilletjes openbrak op het moment dat ik mijn naald erdoor spietste. Rood aangelopen sprong dit wezentje uit de dop en snakte naar adem, terwijl hij op tafel lag. Ik was verbaasd maar realiseerde me dat het zaak was snel ook de andere pinda’s te pellen. Niks. Allemaal gewone pinda’s. Het mannetje dat precies een pinda leek, wilde er niets van horen. Hij was geen pinda, dat wist hij zeker. Al waren zijn ledematen en kleine gezichtje het enig aanwijsbaar verschil. ‘Pinda’s bewegen niet en pinda’s praten niet!’, zei hij stellig. ‘Zullen we eerst maar wat gaan eten?’, vroeg ik mijn ongewone gast. ‘Ik weet niet wat ik lekker vind.’ Even dacht ik na. ‘Hou je van zoet of van zout?’ ‘Ik weet het niet.’ ‘Lust je misschien een plakje worst?’, vroeg ik, terwijl ik richting keuken liep. ‘Wat zegt u?’ ‘Of je wo…’ ‘Ik weet het niet’, zei hij zacht. Ik kwam terug met een plakje worst, een stukje appel en een klontje suiker. Hij probeerde van alles een beetje maar niks vond hij lekker. Het klontje suiker, daar hoefde hij alleen maar aan te ruiken om te weten dat het niks zou zijn. ondertussen pakte ik voor mezelf een kopje koffie en een paar delen van mijn encyclopedie. Ik wilde weten wat ik voor me had, maar ik had geen idee waar ik moest beginnen. Terwijl ik doelloos in het register keek, liep het ventje naar mijn kopje koffie en keek nieuwsgierig over de rand. Even keek hij om naar mij en zei ‘Dit lijkt me wel lekker meneer.’ ‘Zeg maar amies hoor, zo heet ik. Hoe heet jij eigenlijk?’ ‘Ik weet het niet’, zei het mannetje ongeïnteresseerd terwijl hij op de rand van het kopje klom en bijna onmiddellijk voorover tuimelde. ‘Aaaaaaaaaah!’, riep hij uit. Snel viste ik het mannetje uit het kopje en hield het onder de koude kraan. ‘Aaaaaaaaaah!’, riep het weer. ‘Au! au! Wat is dat voor spul!? Het doet me zeer!’ Blijkbaar deed vocht meer pijn dan warmte. Nadat ik het mannetje in een theedoek had gewikkeld, werd hij snel moe en viel in slaap. Ik legde hem op een watje in een lucifersdoosje op mijn nachtkastje. Lange tijd keek ik vol verwondering naar het bijzondere wezentje en viel toen zelf ook in slaap.


De tijd die volgde was bijzonder. Ik kon er niet achterkomen wat het wezentje kon zijn, maar hoe langer hij bij me bleef, hoe minder belangrijk dat leek. We werden vriendjes. We keken samen t.v. of vertelden elkaar over onszelf. Dat wil zeggen, ik vertelde over mezelf, want hij wist niks over zichzelf. Hij stelde vragen over werkelijk alles. Als we aten at hij altijd hetzelfde, een hoopje gemalen koffie. In het donker maakten we buiten wandelingen en keken naar de sterren en de maan. Het leek me beter dat niemand wist van zijn bestaan. Hij zat dan op mijn schouder en hield zich stevig vast. Overdag ging ik werken en hij verkende het huis. Een tijd lang waren we best gelukkig. Na een week of zes, zo halverwege de winter veranderde er iets. Hij vroeg minder, at minder en keek buiten niet langer naar de sterren en de maan, maar steeds vaker naar de grond. Ik hoorde hem zuchten in mijn oor. Wanneer ik na mijn werk thuis kwam vond ik hem steeds vaker op hetzelfde plekje op de vensterbank waar hij uitkeek over de tuin. Ik voelde dat er iets mis was. Zou ik toch met hem naar de dokter gaan?, dacht ik, niet wetende of ik daarmee de huisarts of de dierenarts bedoelde. Het mannetje was me echter voor. ‘Amies?’, zei hij toen ik op een avond thuis kwam en hij weer in de vensterbank zat. ‘Wat is er jongen?’ ‘Amies, ik zou graag eens alleen in de tuin lopen.’ Ik zuchtte en voelde me ellendig, al wist ik niet precies waarom. Langzaam opende ik de deur naar de tuin en zette het ventje op de mat. ‘Dank je’ zei hij met schorre, zachte stem. Ik schrok van de toon waarop. Het klonk als een afscheid. Licht waggelend, zoals hij de laatste dagen moeilijker was gaan lopen, liep hij de tuin in. Over het terras liep hij bijna regelrecht naar de dichtstbijzijnde plaats waar hij een stukje tuinaarde vond. Een manestraal verlichtte de plek. Daar begon hij te graven, steeds sneller en steeds dieper. Even stopte hij met graven, keek mij zwijgend aan en knikte, alsof hij wilde zeggen “het is goed zo.” Met tranen in mijn ogen knikte ik terug. Toen verdween hij in de grond en dat was de laatste keer dat ik hem ooit heb gezien. Lange tijd zat ik in de deuropening en dacht aan de tijd die we hadden. Ik merkte amper hoe koud het was. De eerste dagen hierna voelde ik mij eenzaam en treurig. Ik at weinig en ging vroeg naar bed. Elke dag dacht ik aan mijn kleine vriendje. Echter, dit gevoel ging langzaam voorbij en mijn eigen leven hernam weer zijn normale gang van zaken. Slechts op een heldere avond wanneer de maan een straal in mijn tuin liet vallen, dacht ik even aan hem, en dat maakte me wisselend triest en gelukkig. Toen ik in de lente op een zaterdagmorgen op mijn terras in de tuin zat, zag ik opeens op de plek waar het mannetje verdwenen was, een prachtige plant met gele bloemen staan. Ik pakte de encyclopedie erbij, want zo’n plant had ik nog nooit gezien. Na lang zoeken vond ik hem dan eindelijk. ‘Arachis hypogea L.’, las ik hardop ‘ook wel de Pindaplant.’