• Amies

Ze zeggen dat ik van haar...

‘Man, maak er toch eens niet zo’n klerezooi van!’ Ze smijt de lepel op het bord en de erwtjes met appelmoes vliegen langs mijn oren. Geschrokken door haar eigen reactie kijkt ze mij met grote ogen aan, alsof ik haar net een klap in het gezicht verkocht heb. Haar vermoeide ogen worden rood en vochtig en ze buigt haar hoofd. ‘Sorry,’ stamelt ze. Ik kijk naar buiten terwijl zij met hernieuwd geduld een volle lepel naar mijn mond brengt. Ik besluit haar te negeren en blijf naar buiten staren. Met lichte dwang probeert ze de lepel tussen mijn lippen te krijgen, maar zonder succes. ‘Och, stik er in!’ roept ze nu huilend en kwakt het bord op mijn schoot. Met grote passen stampt ze de kamer uit en met een harde klap slaat de voordeur achter haar dicht. Een koud plakkerig erwtje rolt langzaam van mijn wang en valt in mijn kraag. Ik wil wel huilen, maar daar ben ik te stom voor. Ik ben te stom om te huilen, te stom om zelf te eten en te stom om dat erwtje uit mijn overhemd te plukken. Ze zeggen dat ik van haar gehouden heb, maar zelf heb ik mijn twijfels. De vrouw van wie ik van hield had warme bruine ogen die fonkelden in het kaarslicht, grote blauwe verfrissende ogen die straalden in de zon, mysterieuze groene ogen, zo doordringend dat ik er na jaren nog verlegen van werd zodra ik er in keek. Deze doffe ogen, gesprongen adertjes en wallen, dat kan mijn liefde toch niet zijn? Ik schuifel met mijn bord richting keuken. Tegen beter weten in, want ik weet dat ik te stom ben om het bord op het aanrecht te krijgen. Nog vijf centimeter, nog vier, nog drie en jawel, daar klettert de hele bende op de grond. Ze zal er blij mee zijn als ze thuiskomt. ‘Het klinkt misschien saai,’ had de dokter gezegd, ‘maar duimen draaien is een goede oefening.’ Ik ben nog net niet te stom om duimen te draaien. Sterker nog, duimen draaien kan ik inmiddels als de beste. ‘Kijk eens Pietje, hoe ik duimen kan draaien.’ ‘Tjilp?’ Met mijn handen in mijn schoot draai ik mijn duimen alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Oog-hand coördinatie noemen ze dat. Wat heb ik daaraan als ik mijn armen nauwelijks kan gebruiken? ‘Geen zorgen Piet, ooit komt het goed met mij.’ Ik steek een weinig bemoedigende duim omhoog, maar Pietje lijkt daar geen notie van te nemen. Piet is de enige die mij verstaat als ik een poging doe om te praten, of in elk geval, dat geloof ik graag. ‘Och lieverd, wat is er nou toch gebeurd?’ zegt ze, als ze na een paar uur weer thuis komt. ‘Nou ja, je hebt het in elk geval geprobeerd hé?’ Huilend vertrekken en even later weer goedgemutst klaar staan mij te helpen leven. Ik ben blijkbaar een lieve vrouw getrouwd.


*


Tring tring! Met een zucht van opluchting staat ze op en loopt naar de gang. Ik kijk haar na. Ze ziet er toch steeds beter uit de laatste dagen. ‘Hallo meis, god wat zie je eruit zeg,’ hoor ik vanuit de gang. ‘Daar komt ze, Piet. Het monster,’ mompel ik. ‘Tjilp tjiep.’ ‘Ga jij er maar eens lekker tussenuit, en koop jezelf wat moois. Ik wil je tot vanavond niet meer zien. Dag lieverd.’ ‘Dag mam.’ De voordeur slaat dicht en kort daarna zwaait de kamerdeur open. ‘Ah, daar zit onze patient.’ Nu al bezweet waggelt ze de kamer binnen, klaar om mijn dag te vergallen, al doet ze dat niet bewust. Ten minste dat hoop ik dan toch. ‘Hoe is het vandaag met onze jongen? Oi oi, je zit weer te kwijlen zeg.’ Ze komt op me af terwijl ze een verfrommelde zakdoek uit haar mouw frummelt. Aan de harde korreltjes die over mijn wang schuren, voel ik dat hij reeds gebruikt is. Jammer. ‘Zo dat is beter he?’ roept ze tien keer harder dan nodig is. Ik ben niet doof trut! denk ik hard terug. ‘Weet je waar wij trek in hebben? In een geschild appeltje,’ zegt ze terwijl ze naar haar vaste stekkie aan tafel waggelt en een mottig appeltje uit haar meegebrachte plastic tasje graait. Vijf, vier, tel ik af in mijn hoofd. Drie, twee, één… ‘Weet je,’ begint ze. Jawel daar gaat ‘ie. ‘Bij ons tegenover heeft er ook ene zo’n hersenbloeding gehad, of een propje erin, ik weet het fijne er niet van. Nou die was natuurlijk wat ouder da … tuut tuut…, maar toch snel weer op de been. Hij kan nu al weer… tuut tuut tuut… Nee dan heb jij het niet getroffen jongen.’ Ze ratelt maar door terwijl ze bezig is een lange sliert van haar appel te schillen. ‘Wij allemaal niet trouwens. Het is voor de hele familie een belas… tuut tuut… Ik ken haar niet meer terug zo vermoeid is ze. Ik denk dat als jij wat beter je best zou doen…tuut tuut tuut… Gewoon even een schepje erbo … tuut tuut… snap ik wel dat sommigen een punt achter de relatie zet… tuuuuuuuuuuuuuuuut’ Ontplof, denk ik, ontplof nu! Helaas. Het penetrante toontje waarmee ze haar verhaal doet, stellen mijn trommelvliezen behoorlijk op de proef.

Ik word wakker van een aai over mijn hoofd en open mijn ogen. Het monster kijkt mij met een scheef hoofd aan. Wat heb ik de laatste tijd een hekel gekregen aan schuine hoofden. ’Hij heeft de hele middag liggen slapen. Praten doet hij nog steeds niet hè? Het gaat allemaal maar moeizaam,’ zegt ze, terwijl mijn vrouw de slaapkamer in loopt met haar winkeltassen. Meteen daarna komt ze terug en laat haar moeder uit. ‘Nee, praten doet hij nog niet,’ zegt ze met liefde in haar stem. ‘Dat heeft tijd nodig volgens de dokter.’ Ze houdt van me, dat voel ik. Zou ik ook van haar kunnen houden, net als vroeger? ‘Heb je het een beetje vol kunnen houden vandaag?’ vraagt ze, alsof ik een keus heb gehad. ‘Het spijt me, maar ik had het echt even nodig en ik kan je niet de hele dag alleen laten hier,’ zegt ze terwijl ze bezig is mijn trui over mijn hoofd uit te trekken. Blijkbaar moet ik naar bed. Ze trekt mijn broek uit en zucht wanneer ze het kleine gele vlekje op mijn onderbroek ziet. ‘Nou die doet nog wel iets blijkbaar,’ fluistert ze in de veronderstelling dat ik het niet hoor. Ik voel me een waardeloze sukkel. ’Ik ga snel even douchen. Ga maar vast op bed liggen, dan stop ik je zo onder.’ Ze wandelt de kamer uit. ‘Nou Piet, daar sta ik dan,’ zeg ik hopeloos. ‘Maar kijk eens wat ik kan,’ zeg ik er met ironische stem achteraan. Met veel moeite til ik mijn armen hoger dan ik een week geleden kon. Ik zou nu met gemak een bord op het aanrecht kunnen zetten. Met een trotse glimlach kijk ik naar Piet, die net een witte flats op het schelpenzand deponeert. Mijn schouders zakken af en ik slof naar de slaapkamer. ‘Welterusten Piet.’ ‘Tjilp.’ Terwijl ik op mijn bed ga zitten vraag ik mij af of we vroeger ook een meter ruimte tussen onze bedden hadden. Dat kan ik mij niet voorstellen. Vroeger hadden wij één bed, een ronde in het midden van de kamer, met aan de muur en het plafond een spiegel. Op de vloer lag hoogpolig tapijt en naast het bed stond een tafeltje met champagne en aardbeien en slagroom in een spuitbus. Tenminste, zo zou ik dat gewild hebben. Mijn oog valt op een zwart glimmend stukje stof op haar bed. Net wanneer ik wil opstaan om te kijken wat het is, komt ze de slaapkamer binnen. Ze heeft een handdoek om zich heen geknoopt. Vroeger deed ze dat niet. Althans, dat denk ik. Ze grist het glimmend zwart van haar deken en gooit het snel in een winkeltas die achter haar bed staat. ‘Zo, tijd om te slapen,’ zegt ze alsof er niks aan de hand is en ze dwingt me zachtjes te gaan liggen. Ze kijkt me met zachte ogen aan. Ze lijken al veel meer op de ogen van mijn lief. Een wereld van verschil met een week of wat terug. Ik tuit mijn lippen en zij geeft me een kus op mijn voorhoofd. ‘Slaap lekker lieverd.’ Ik staar in het donker naar het plafond en voel me niet goed.


*


Het belooft een zonnige dag te worden. Moeizaam neem ik een hap van mijn boterham met kaas. Moeizaam, maar zelf. Helaas doet ze nog altijd boter op mijn brood. Zou ze het expres doen zodat ik snel zelf leer smeren, of vond ik vroeger kaas met boter lekker? Ik kan het me niet voorstellen. Vrolijk komt ze de kamer binnen met haar eigen ontbijtje en gaat tegenover mij op de bank zitten. Ze draagt een kort sexy rokje, rood, en tussen haar benen zie ik iets zwarts, het glimt. Een zonnestraal verblindt haar enigszins en ze knijpt haar ogen tot spleetjes. Ze lijkt te bloeien. Dit zou heel goed de vrouw kunnen zijn van wie ik van gehouden heb, denk ik bij mezelf. Het is in elk geval de vrouw van wie ik zou kunnen houden. Is het misschien de vrouw van wie ik houd? Ze lacht naar me en zegt: ’volgens mij gaat het steeds beter met je. Zullen we binnenkort eens naar buiten? Zomaar een wandelingetje. Het is mooi weer.’ Ik kijk naar buiten en een rilling kruipt over mijn rug mijn nek in. Naar buiten, ik moet er niet aan denken. Laat mij voorlopig nog maar even zitten hier op mijn stoel. Hier heb ik genoeg buiten. Ze kijkt op haar horloge en zegt: ’Ik ga zo even boodschappen doen, wil je nog iets speciaals?’ Iets speciaals? Ik zou niet weten wat. Ik heb helemaal geen zin in iets speciaals. Weer kijkt ze op haar horloge en staat op. ‘Ok, dan ben ik even naar de stad.’ Ze geeft me een kus op mijn wang en loopt de kamer uit. Haar rokje wappert vrolijk om haar dijen. ’Puddingbroodjes?’ roept ze vanuit de gang en kort daarop slaat de deur dicht. Ik sta op en loop dichter naar het raam. Ik wil haar even nakijken, maar zie nog net hoe ze in een dikke zwarte mercedes stapt en de bestuurder een nog veel dikkere kus op zijn mond geeft. Ik zucht, maar ben niet echt verbaasd. Ik heb het niet aan zien komen, maar dat schrijf ik toe aan het feit dat ik wat trager ben dan vroeger. Met een misselijk gevoel ga ik zitten. ’Straks lekker puddingbroodjes Piet,’ zeg ik. Pietje reageert niet en knabbelt op een zaadje. Even is het stil en ik staar naar buiten. ‘Tjilp, tjiep tjiep!’ Ik kijk naar Pietje en merk dat er een traan over mijn wang rolt. ’Ja ik weet het Pietje, tot voor kort was ik hier nog te stom voor.’