• Amies

Zoo

‘Maar meneer, ik wil niet terug!’ jammert hij, ‘het is daar zo kil en koud en ik word er ziek, hoor maar…’ Even kucht hij gemaakt. Ik stap stevig door over het parkeerterrein richting ingang. Bij de ingang staat een vrachtwagen met op de laadklep twee houten kisten met gaatjes erin. Ik vraag me af wat er in zit, maar ik kan het niet zien. ‘Het doet vaak ook erg pijn, meneer.’ probeert hij nog een keer. Ik duw de zware deur open en loop een lange kale gang in. Voor de ramen zitten spijlen en ik kan me eigenlijk niet bedenken waarom. Hier wil je toch niet werken, denk ik bij mezelf. Mijn zolen piepen op de gladde vloer. Ik loop de eerste deur door die ik tegenkom en sta in een ruimte waar tegen de muur kooien staan tot aan het plafond. In elke kooi zitten twee aapjes. Een man in wit uniform staat op een het punt een injectie te geven. Alles wordt omgeven door een chloorachtige lucht. ‘Meneer? Ik vond deze muis bij mijn voordeur.’ zeg ik terwijl ik mijn handen open, ‘Omdat hij kaal is dacht ik dat hij misschien hier ontsnapt is.’ De laborant kijkt even chagrijnig over zijn bril. Op zijn borst prijkt een glimmende medaille waar hij met witte handschoen even over strijkt. Ik veronderstel dat het een soort onderscheiding zal zijn, al weet ik niet waarvoor. ’Ja, dat lijkt erop,’ moppert hij, ‘aan de ooginfectie te zien komt hij van de cosmetica afdeling. Hier naar rechts, tweede gang, eerste lab. Je kunt het proberen, maar waarschijnlijk wordt het meteen vernietigd.’ ‘Och, ik kan het allicht proberen.’ opper ik, maar ik word al niet meer gehoord. Terwijl ik door de gang loop voel ik een warme vloeistof door mijn vingers sijpelen. ‘Kom, kom,’ zeg ik, ‘zo’n vaart zal het allemaal niet lopen.’